lezersomarmartha

14-04-18

Leven en lot - Vasili Grossman (2)

Hij keek naar Tsjepyzjin. Tsjepyzjin zag dat zijn aandacht geveinsd was en vervolgde: 'Ik denk dat er een grens is die de oneindigheid van het universum beperkt: het leven. Die grens ligt niet in Einsteins kromming, maar in de tegenstelling tussen het leven en de dode materie. Ik geloof dat het leven kan gedefinieerd worden als vrijheid. Leven is vrijheid. Vrijheid is het grondbeginsel van het leven. Daar loopt de grens: tussen vrijheid en slavernij, tussen leven en dode materie.
Vervolgens bedacht ik dat de vrijheid, eenmaal ontstaan, is begonnen te evolueren. Die evolutie volgde twee sporen. De mens heeft meer vrijheid dan het protozoön. De hele evolutie van de levende wereld is een beweging van een kleinere naar een grotere mate van vrijheid. Daarin ligt de essentie van de evolutie van de levensvormen. De hoogste vorm van leven geniet de meeste vrijheid. Dat is de eerste tak van de evolutie.'
Strum bekeek Tsjepyzjin peinzend aan. Tsjepyzjin knikte, alsof hij de aandacht van zijn luisteraar goedkeurde.
'Maar er is nog een tweede, kwantitatieve tak van de evolutie, bedacht ik. Als de gemiddelde mens vijftig kilo weegt, dan weegt de mensheid tegenwoordig honderd miljoen ton. Dat is veel meer dan, zeg maar, duizend jaar geleden. De massa van de levende materie zal steeds verder toenemen, ten koste van die van de dode materie. De aardbol zal langzamerhand tot leven komen. Als de woestijnen en het noordpoolgebied volledig bewoond zijn, zal de mens onder de aarde gaan wonen en de horizon van zijn onderaardse steden en velden in de diepte blijven verleggen. Uiteindelijk zal de levende materie het overwicht krijgen op aarde. Daarna zullen de andere planeten tot leven komen. Als je je de evolutie van het leven in de oneindigheid van de tijd voorstelt, dan zal de verandering van levenloze in levende materie zich voltrekken op een galactische schaal. De dode materie zal zich omzetten in leven, in vrijheid. Het heelal zal tot leven komen, alles op de wereld zal levend zijn en dus vrij. De vrijheid, het leven, zal de slavernij overwinnen.'

08-06-14

Uit "Laatste verhalen" - John Updike (4)

Waarom zou Martin Fairchild ermee zitten? In zijn lange, geletterde leven had hij al over zoveel herzieningen van de kosmische theorie gelezen. Edwin Hubbles ontdekking van een alomtegenwoordige galactische roodverschuiving en daarmee van de uitdijning van het heelal was een paar jaar voor zijn geboorte gedaan. Tegen de tijd dat hij volwassen werd had de theorie van de oerknal, met haar implicaties van een christelijke schepping door toestemming -‘Er zij licht’-, de overhand gekregen boven de eigenlijke meer boeddhistische ‘steady-state’-theorie volgens welke de ruimte zelf, vanuit het niets, het ene waterstofatoom na het andere produceerde. De laatste decennia hadden, zowel in de astronomie als in de financiële wereld, miljarden de rol als rekeneenheid overgenomen van miljoenen: miljard melkwegen, en miljard sterren in elke melkweg. Steeds krachtiger telescopen, inclusief één die in de ruimte zweefde en die naar Hubble was genoemd, onthulden een zwerm nevelige ovalen, elk een melkweg. Zulke onthullingen – verbijsterend voor hen die echt probeerden enig begrip te verwerven van die afstanden en tijdspannes, en van die immense hoeveelheden ruwe materie die aanzwollen, uit elkaar barstten en zich verspreidden in een niet helemaal oneindige ruimte waar het krioelde van virtuele deeltjes – hadden voor Fairchild  de onwaarschijnlijke hoop ingehouden op een laatste ommezwaai: een culminerend stukje in de grote hemelpuzzel dat de Mensheid zou staven in haar gevoel van centraal belang te zijn en dat een aandachtige genade zou onthullen die achter de hemelse ordening schuilging.
Maar twee teams van wetenschappelijke onderzoekers leken los van elkaar te hebben aangetoond, dat er in de verre ruimte niet alleen geen sprake leek te zijn van een afnemende snelheid onder de verst afgelegen melkwegstelsels, maar dat er in plaats daarvan zelfs sprake was van een waarneembare versnelling, zodat een uiteindelijke verstrooiing van alles in absolute kou en duisternis met enige zekerheid kon worden voorspeld. We worden het niets in geslingerd door een zinloze explosie. Slechts een onzichtbare, kwaadwillige antizwaartekracht, een zogenaamde ‘dark force’, kon dat verklaren. Waarom zou Fairchild het persoonlijk opvatten? Het universum zou hem met een gulle marge overleven – dat was altijd al zo geweest. Maar had hij op een of andere manier gerekend op eeuwigheid, op het bestaan van een eeuwigheid, al was hij niet uitgenodigd daar deel aan te hebben. De versnellende expansie van het universum legde de ons omringende uitgestrektheid een smadelijke eindigheid op. De oude hypothetische structuren – god, het paradijs, de morele wetten die daarin besloten lagen – hadden geen poot meer om op te staan. Alles zou wegsmelten. Hij, hoewel geen mysticus, had altijd stiekem troost geput uit het idee van een universele hartslag, een afwisselende oerknal en oerineenkrimping, waarbij alle materie elke keer weer vernieuwd werd, hergoten in een onvoorstelbaar klein oventje: een steeds herhaald, submicroscopisch nieuw begin. Nu was die troost hem ontnomen, en gleed hij van lieverlede een ‘steady state’ in – een koortsachtige staat van depressie, nauwelijks waarneembaar voor zijn naasten.